Komen en gaan

De snelweg af. Meestal na een uurtje of negen flink doorrijden op de bijna altijd rustige Franse snelwegen, nemen we ‘onze afslag’. Het jachtige leven blijft achter op het asfalt en de rust neemt langzaam bezit van mijn lijf en geest. Zo was het de eerste keer en zo is het gebleven.
In een langzamer tempo rijden we nog een half uurtje over de kleine D-wegen die naar ons huis leiden en zuig ik de omgeving weer in me op. Genietend kijk ik om me heen en elke keer zie ik toch weer nieuwe kleine veranderingen of dingen die me daarvoor niet zijn opgevallen. Met elke kilometer die we afleggen op de kleine wegen daalt er een vanzelfsprekende kalmte over me.

En dan, na de laatste bocht doemt het weer op. Ons mooie vertrouwde huis.
Het voelt elke keer weer als een prettig weerzien met een goede vriend. Daar staat het in als zijn glorie, de seizoenen doorstaan en weer klaar om ons te ontvangen.
Het hek gaat open en we zijn terug op onze eigen mooie plek.
Nooit ga ik meteen het huis in. Ik geef de sleutel aan Arie en doe mijn inspectie om het huis heen. Zijn de bollen al boven de grond, staan de rozen al in bloei, is het vogelkastje bewoond of zijn de pruimen al rijp? Constateringen die ik altijd meteen wil waarnemen afhankelijk van het jaargetijde waarin we arriveren.
Ik weet niet waarom ik dat doe, maar het lijkt wel of eerst onze plek bezit van mij moet nemen voordat ik het huis in ga.
Ik sta dan meestal op het veld, mijn blik gericht op de naastgelegen wijngaarden en ik zie het kilometers verderop liggend dorp. Ik voel dan altijd weer dezelfde magie die ik de eerste keer voelde toen ik daar stond. “Deze plek is goed” zei mijn gevoel toen. Dat zeg ik ook altijd tegen iedereen. Het is niet het huis dat de doorslag gaf, het is de plek. Dan maak ik mijn rondje langs de houtschuur, de vijver, de fruitbomen en alle andere vaste plekjes. Nadat ik alles in me heb opgenomen ga ik pas de trap van ons huis op.
Arie is dan al druk bezig met het uitladen van de auto. Ik kan dat niet, het andere leven moet eerst volledig bezit van me hebben genomen en op het moment dat ik de glimlach op mijn gezicht voel weet ik dat het heeft plaatsgevonden.

Dan is het huis aan de beurt. Allereerst gaan de ramen en de luiken open. Frisse lucht stroomt het huis binnen alsof dat de zuurstof is waarmee het huis weer gaat leven.
Meestal ziet het huis er prima uit, soms her en der wat dode vliegen en een enkel spinnenweb. Ander ongedierte hebben we nooit aangetroffen.
Spullen worden tevoorschijn gehaald en weer neergezet. De koelkast wordt gevuld en de kasten ingeruimd. Langzamerhand krijgt het huis zijn bewoonde status weer terug.
Meestal staan er binnen een paar uur wel her en der bloemen in de vazen. Het is een ritueel dat zich bij iedere aankomst weer herhaalt en mij gelukkig maakt.

Dan nemen we plaats op onze veranda en genietend van ons eerste glas wijn prijzen we ons weer enorm bevoorrecht. We vinden ons bezit niet vanzelfsprekend en genieten misschien daarom wel met volle teugen van deze magische plek.
Gedachten aan het vertrek worden zoveel mogelijk verbannen, want het afsluiten van het huis komt altijd te vroeg. Maar het droevige gevoel om weer afscheid te nemen wordt steeds minder omdat ik dan meteen denk aan dat bijzondere gevoel als we de volgende keer de snelweg weer zullen verlaten. Een dat maakt het vertrek dragelijk, want onze goede vriend zal ons ook dan weer met open armen ontvangen.

_______________
2 januari 2005