Herfsttafereel
1
Een onderwerp waar je in Nederland beter niet al te veel
over kunt uitwijden is het jagen. Zeer omstreden, net zoals
het dragen van een bontjas.
Maar 100 km naar het zuiden, in België dus, zijn deze
onderwerpen totaal geen issue meer. Laat staan nog
zuidelijker in Frankrijk.
Jagen is - naast rugby en voetbal - in Frankrijk een
nationale sport waar heel veel Fransen mannen van noord tot
zuid elk weekend van september tot februari hun tijd mee
doorbrengen.
Discussie over dit onderwerp wordt dan ook totaal niet
begrepen.
Meestal eind
september wordt het jachtseizoen in Frankrijk geopend en
dan is het elk weekend uitkijken geblazen als je een
wandeling in het bos wilt maken. Dat uitkijken geblazen
geldt overigens ook voor de jagers zelf: ze dragen niet
voor niets lichtgevende petjes. We zijn er ondertussen wel
aan gewend geraakt dat we op zaterdag en zondag toeterende
horens, jankende honden en vaak heen en weer rijdende witte
bestelkarretjes zien, bestuurd door mannen in het groen.
Eind januari is dit tafereel vaak alweer voorbij.
Tijdens
het jachtseizoen komen de jagers uit ons gebied bijna elke
zaterdagavond bij elkaar in een eenvoudige schuur van één
van hen. Daar staan een paar kooktoestellen en simpele
lange tafels met banken. De vrouwen van de jagers bakken
stukken wild die de week ervoor zijn geschoten. Heel af en
toe nodigen ze ook mensen uit om mee te eten en dit jaar
mogen wij ook komen. Onze vrienden T. en B. zijn al een
keer geweest en via hen krijgen we de uitnodiging.
We weten natuurlijk niet wat ons te wachten staat. We
kennen de jagers niet eens.
“Gewoon in je spijkerbroek komen, het is heel eenvoudig” is
het advies.
Om 20.00 uur stappen we de schuur binnen. Blauwe walmen uit
sissende pannen komen ons tegemoet. De vrouwen zijn al druk
bezig met het aanbraden van het vlees. Als aperitief
krijgen we mijn ‘geliefde’ rataffia en pernod. Iets anders
is er niet. Als je om water vraagt, vragen ze óók hier (zie
verhaal eten bij S.) of je ziek bent.
Eén voor één komen de in het groen gehulde jagers binnen,
al dan niet in gezelschap van hun familie. Iedereen is
hartelijk en vindt het leuk dat we gekomen zijn. Tegen half
tien – we hebben dan al ettelijke glazen achter onze kiezen
– nemen we plaats aan de lange tafels.
Tot onze grote verbazing zetten de vrouwen van de jagers
niet alleen het vlees, maar een compleet diner op tafel.
Eerst natuurlijk soep, dan een heerlijk salade en dan komen
de schalen met de stukken wild zwijn door, gevolgd door
kaas en dessert. De wijn ontbreekt natuurlijk niet en
vloeit dan ook rijkelijk.
Door de alcohol
wordt mijn Frans ook steeds beter, ik vergeet waar ik op
moet letten. En omdat ik te horen krijg wat ik graag wil
weten over de jacht, lijkt het erop dat ze me wel
begrijpen.
Jagen blijkt een zeer goed geregelde aangelegenheid te
zijn. Ze schieten niet zomaar op alles wat maar voor hun
loop komt. Nee, daar zijn strakke regels voor.
In elk departement wordt per jaar een quotum per dier
vastgesteld. Door middel van steekproeven weten ze wat de
wildstand is. In ons gebied mogen er dit seizoen
bijvoorbeeld 34 zwijnen en 26 reeën geschoten worden en
niet meer. Op zaterdag schieten ze zwijnen en op zondag
schieten ze reeën, of andersom. Als ze op zaterdag per
ongeluk een ree tegenkomen wordt die niet geschoten. En met
de zwijnen gaat het precies zo. Voor het kleinwild zijn ook
quota vastgesteld en daar houdt men zich keurig aan.
De
eerste 6 tot 8 weken wordt een groot deel van het geschoten
wild verdeeld over de inwoners van het dorp. De jagers
mogen overal komen en ze schieten dus vaak een dier op
iemand anders terrein. Uit goodwill brengen ze dan een deel
van het geschoten wild naar de eigenaren van de terreinen
waar ze op jagen. De rest verdwijnt natuurlijk in hun
vriezers, want een hobby is leuk, maar het is natuurlijk
nog leuker als je er iets aan overhoudt.
Ons wordt met kerst een reebout beloofd en we zijn dan ook
benieuwd of we die ook zullen krijgen. Bij onze vrienden
hebben we in ieder geval al een keer een heerlijk
zwijnenhaasje gegeten.
Nu
kunnen we ons wel ontzettend opwinden over die jacht, maar
dat doen we niet. Wij wilden in dit deel van Frankrijk
wonen en daarom vind ik ook dat we hun gebruiken en
gewoonten moeten respecteren, dat zouden we andersom ook
van hun verwachten. Zolang het allemaal eerlijk gaat en het
geen commerciële uitbuiting is zul je mij niet horen.
En, om heel eerlijk te zijn, verheug ik me enorm op een
heerlijke reebout met de kerst.
Hoe raar het ook klinkt, ook de jacht hoort bij het ‘back
to the basics’-gevoel dat we in Frankrijk zo sterk hebben.
Als je kunt leven van het land, is dat in wezen het enige
dat je werkelijk nodig hebt. De Fransen op het platteland
zijn daar meesters in.
En
ik hoop dat ze dat nooit zullen verleren.
_______________
21 december 2003
