Een tweede leven

Ons leven in Frankrijk is een heel ander leven dan het leven in Nederland. Daar gaat alles vier versnellingen lager. “Geen tijd” komt daar niet uit onze mond, terwijl we dat in Nederland zeker één keer per dag zeggen. Iedereen heeft tijd voor elkaar. Lunchen duurt minstens 2 uur terwijl ik in Nederland vaak een broodje achter mijn bureau eet. De buren stoppen bij het hek voor een praatje, de wijnboer stapt van z’n trekker af om ons te begroeten en vraagt uitgebreid hoe onze reis is geweest en hoe lang we blijven. Wij informeren naar zijn familie en zijn wijngaard....
En dan is er natuurlijk nog de intense rust. Geen files in de wijde omtrek. Als er per dag 10 auto’s langs komen zeggen we tegen elkaar “het is vandaag wel een gekkenhuis!”
Een tweede leven. Maar dat geldt ook voor onze huisraad......

Al jaren loop ik in Nederland en soms in België veilingen, antiek- en rommelmarkten af.
En als we in Frankrijk zijn, sla ik geen vide grenier- of brocantemarkt in de buurt over.

Met de aankoop van ons tweede huis in Frankrijk heb ik ruimte genoeg om die met leuke vondsten te kunnen vullen.
Deze markten aflopen is een sport en een heerlijk begin van - meestal - een zondag. Ik doe het niet om voor een dubbeltje op de eerste rang te zitten - alhoewel ik natuurlijk wel probeer om het zo goedkoop mogelijk te krijgen. Dat hoort bij de sport.
De ware reden van die strooptochten is dat ik altijd iets hoop te vinden dat niemand heeft en dat in huis past bij de rest van de spullen. Ik vind het leuk om ons huis in te richten met “unieke” stukken. Ikea leeg kopen kan iedereen. Overigens heb ik niks tegen Ikea, want ze hebben geweldige spullen en de Ikea-labeltjes zijn ook terug te vinden in ons Franse huis. Maar met mate. Gecombineerd met tweedehands spullen en leuke dingen van de brocantemarkten, probeer ik een hele eigen sfeer te creëren. Een beetje Frans, met een Nederlands sausje. Arie gaat zelden mee, want voor hem zijn die markten een verzamelplaats van oude zooi waar je in zijn ogen altijd teveel betaald. Hij haalt dan ook opgelucht adem als ik na een van mijn tochten slechts met een vaasje van een paar euro thuis kom. Maar zo langzamerhand begint ie eraan te wennen en vindt dat ik af en toe hele leuke spullen heb gevonden.


Wat ik ook leuk aan die “oude rommel” vind, is dat ze een tweede of misschien al wel een vierde leven hebben gehad. Bij wie heeft dat rekje aan de muur gehangen en wat heeft daar al die jaren op gestaan? Wie heeft er allemaal in die stoel gezeten sinds hij in 1850 het meubelatelier heeft verlaten? Heeft ie hier in de buurt of misschien wel in Parijs gestaan?
Welke kleding heeft er in de kasten gehangen? Zijn het mooie avondjaponnen geweest of lagen er alleen maar schorten van boerinnen in? Of lagen ze vol met mooi geborduurd linnengoed? Welke huiseigenaar heeft eerder plezier gehad van onze echte Franse buitenlamp?
Juist de onbekende verhalen die aan die stukken kleven, maken ze zo interessant.
Soms geef ik een meubelstuk een kwast verf. “Doodzonde” hoor ik dan vaak. Ik vind dat onzin. Ik koop de spullen niet voor de mogelijke geldwaarde, maar omdat zíj een tweede leven krijgen in òns tweede leven in Frankrijk en daarom passen ze zich maar een beetje aan!

_______________
23 februari 2003