“Oh, daar staat een grote, en daar nog een”. We lopen over ons terrein en zien overal om ons heen enorme paddestoelen staan. “Die lijkt heel veel op eekhorentjesbrood”.
“En dat lijkt wel een cantharel, alleen dan wat groter”. Likkebaardend overzie ik de rijkdom die ons zomaar weer door de natuur wordt aangeboden.
Maar plukken en eten is toch een stap te ver. Want we weten er niks van af. Zelfs met een dik boek in de hand waar alle paddestoelen van Frankrijk met foto in staan, is het een linke zaak. Ze lijken zo ontzettend veel op elkaar, degene die je wel en NIET kunt eten. Paddestoelen zoeken en eten is bij ons het een gebied een geliefde bezigheid. Van vader op zoon of dochter hebben ze geleerd welke je wel en niet kunt eten en ook welke de lekkerste zijn. Die ervaring hebben wij helaas niet.
Er is een mogelijkheid om ze te laten checken. Je gaat met je mandje geplukte paddestoelen naar de plaatselijke apotheek en die weten dan precies welke wel en welke niet te eten is. Meestal keuren ze alles af.... want tja.... er zal er maar net één tussen zitten die wel giftig is...wie krijgt dan de schuld?

Toch blijft het in
mijn achterhoofd zitten. “Er zullen toch ook best wel
eetbare tussen zitten” zeg ik tegen vrienden van ons.
“Linke soep, als je er niks van af weet, ik zou ze laten
staan”.
De dag van vertrek
breekt weer aan en we zijn druk bezig met opruimen en de
nodige voorzorgsmaatregelen te treffen voor de afsluiting
van het huis.
Dan stopt er opeens een auto voor ons het hek. Er springt
een grote zwarte hond uit en ook stapt T. uit met een man
die we niet kennen. “Dit is B.” zegt T. ”Hij weet alles van
paddestoelen en hij wil je er best het één en ander over
leren.”
Ik laat natuurlijk
meteen alles uit mijn handen vallen, trek mijn laarzen aan
en pak een mand. Ik zeg nog tegen B. dat er waarschijnlijk
niks meer staat, want de meeste paddestoelen die er nog
staan, zijn oud en behoorlijk verregend.
Hij knikt een beetje
en zegt “we zullen wel zien”. De grote zwarte hond springt
om ons heen en is ontzettend lief. Hij rent voor ons uit
een stukje bos in waar B. het op voorzien heeft. Ik zeg nog
“hier heb ik al gekeken, hier staat niks”, maar binnen de
kortste keren hoor ik opgewekte kreten. Onder het gras
blijken zeer eetbare paddestoelen te staan. B. wordt
helemaal enthousiast. Hij legt uit waarom ze eetbaar zijn
en nu ik weet waar ik moet kijken, zie ik er opeens ook een
heleboel. We snijden ze voorzichtig af en leggen ze in de
mand. In mijn boek zet ik een kruisje bij de desbetreffende
soort. Daar staan 2 ‘bestekjes” bij afgebeeld, dat wil
zeggen dat ze het eten meer dan waard zijn. Dat beloofd
wat.
B. ploegt zo ons
hele bos door en de mand wordt voller en voller. Hij vindt
de ene na de andere eetbare soort, maar ook laat hij zien
welke giftig zijn. Hij vertelt veel over de kenmerken waar
je op moet letten en dat het herkennen wel een kwestie van
ervaring is, want de eetbare en niet eetbare soorten lijken
inderdaad heel veel op elkaar. Na 2 uurtjes plukken hebben
we een mooi resultaat. Hij geeft mij de lekkerste die hij
heeft gevonden en ik krijg er ook nog een gratis kookadvies
bij.
Hij vraagt of hij in
November nog een keer mag langskomen want hij weet zeker
dat er dan een speciaal soort zijn hoedje boven de grond
zal steken. “Trompette de la Mort”, de naam doet iets
anders vermoeden, maar ze schijnen heerlijk te zijn. Wij
zijn er dan niet, maar wat ons betreft kan ie zijn gang
gaan.
Uiteindelijk eten we
de paddestoelen die we gevonden hebben niet op. Niet omdat
we niet durven, maar ze zijn vers het lekkerst en we staan
op het punt om te vertrekken.
Ik geef ze aan T.
die er samen met zijn vrouw van gesmuld heeft en ze leven
allebei nog steeds.
Volgend jaar een
nieuwe kans, maar wel met de hulp van B. want ervaring
hebben we nog lang niet en ik wil wel oud worden in ons
paradijsje. Geen paddestoel die mij dat gaat afnemen.
_______________
18 januari 2004
