“Frankrijk is een mooi land, er zouden alleen geen Fransen moeten wonen”.
Dit is een vaak gehoord cliché, dat nog niet zo lang geleden ook werd uitgesproken door de toenmalige minister van Economisch Zaken, mevrouw Jorritsma.
Een van de vele vooroordelen over dit land.
Na anderhalf jaar – en eigenlijk moeten we zeggen na enkele weken – zijn we vaker uitgenodigd door Fransen dan de laatste 10 jaar in ons eigen land door Nederlanders.
In die korte tijd hebben we al heel veel mensen leren kennen in ons dorp.
Het begon met het feest van St. Jean.
E., die ons gras maait en het zwembad bijhoudt als we er niet zijn, nodigt ons uit om ’s avonds naar het “Feu de St. Jean” te komen, een soort dorpsfeestje.
Dat lijkt ons wel wat. Er wordt een groot vuur ontstoken ter gelegenheid van St. Jean. Nu heb ik sterk de indruk dat er wel meer heiligen als excuus worden gebruikt om een feestje te kunnen bouwen. Best slim van die Fransen. Na het eten, als het al wat schemerig wordt, lopen we naar het dorp. Daar aangekomen zitten hele families bij elkaar op een grasveld. Een soort picknick, want elke familie heeft goed gevulde koelboxen en vaatjes met drank staan. Ze zitten allemaal lekker te eten en te drinken. Het vuur is nog niet aangestoken. “Tja, we wisten niet dat we voor eigen eten en drinken moesten zorgen en trouwens, we hebben al gegeten” zeggen we tegen E., die ons tegemoet komt lopen.
“Geeft niks, jullie lusten vast nog wel een glaasje”. We worden voorgesteld aan zijn familie. Vader, moeder, broers, zussen, schoonzussen, zwagers, neefjes, nichtjes en we krijgen meteen een glas uit de familievoorraad. “Specialiteit uit de streek, zelf gemaakt”. Uit een fles zonder etiket krijg ik een oker-gelig drankje.
Ik durf natuurlijk geen nee te zeggen en hoop dat ik morgen niet blind ben.
Ik proef voorzichtig: Heeeeeerlijk!!!
Het heet rataffia en is een mix van het eerste druivensap dat is opgevangen bij de wijnoogst en Eau-de-vie, een pruimenbrandewijn met een behoorlijk alcoholpercentage.
Zodra mijn glas leeg is, wordt het meteen weer volgeschonken. Over mijn gezichtsvermogen de volgende dag maak ik me allang geen zorgen meer.
Arie krijgt wat anders namelijk het “echte spul”, pure Eau-de-vie. Zelf gestookt door de broer van E. Het eerste slokje is even wennen, maar net zoals met de rataffia went het snel.
Als het bijna donker is, wordt het grote vuur aangestoken en begint er een bandje te spelen. Nou ja bandje. Zo’n man met een orgel, waar een heel orkest uit komt en een ‘n tikje vals zingend zangeresje. De discolampen flikkeren op de maat van de muziek mee. Oude Franse melodieën passeren de revue en er wordt gedanst. We worden aan andere dorpsbewoners voorgesteld. We leren B. en T. kennen, die ook pas in ons dorp zijn komen wonen. Hij is Nederlander en zij Française. Leuke mensen die later onze vrienden worden.
Ook leren we andere bewoners kennen, Fransen en Engelsen. Het is hartstikke gezellig, iedereen is belangstellend en ontzettend aardig. Ze vinden het fantastisch dat we Frans proberen te spreken.
Wanneer we die keer weer terug naar Nederland gaan, komt E. snel nog even twee flessen rataffia brengen, zodat we nog een beetje Frankrijk in Nederland hebben.
Het feest van St. Jean is het begin van onze plek in het dorp. We voelen ons enorm welkom. Regelmatig worden we uitgenodigd voor aperitiefjes en diners.

Zelf hebben we afgelopen zomer ter gelegenheid van Arie’s verjaardag een zondagse lunch gegeven en als we er straks met kerst weer heen gaan, zullen we ze allemaal weer zien.
Frankrijk is een mooi land. We zijn blij dat er Fransen wonen!
_______________
15 december 2002
